Wat verandert er in 2026 voor duurzaam vastgoed? Dit moet je weten
- Blog

De nieuwe Milieulijst is gepubliceerd en heeft directe gevolgen voor duurzaam bouwen. Voor vastgoedeigenaren, ontwikkelaars en gebruikers van utiliteitsgebouwen verschuift de focus in de Milieulijst 2026 nadrukkelijk naar klimaatadaptatie, biodiversiteit en circulair bouwen. Tegelijkertijd is de regeling aangescherpt om binnen een lager budget maximale milieuwinst te realiseren. Dat vraagt om scherpere ontwerpkeuzes en een integrale benadering van duurzaamheid. Hieronder zetten we de belangrijkste wijzigingen voor de gebouwde omgeving op een rij.
Klimaatadaptieve bedrijfsterreinen krijgen prioriteit
Nieuw in 2026 is de expliciete aandacht voor klimaatrobuuste en biodiverse inrichting van bedrijfsterreinen. Investeringen in vergroening, waterberging en verkoeling zijn ruimer meldbaar dan voorheen, met vastgestelde maximale bedragen per vierkante meter. De focus ligt duidelijk op maatregelen die bijdragen aan het beperken van hittestress, wateroverlast en droogte.
Opvallend is dat plastic toepassingen, zoals infiltratiekratten, niet langer in aanmerking komen voor MIA/Vamil. Plasticvrij vergroenen wordt de nieuwe norm. Voor projecten die vallen onder BREEAM-NL of GPR Gebouw geldt dat terreininvesteringen niet afzonderlijk gemeld kunnen worden; deze moeten integraal onderdeel zijn van het gebouwconcept.
Biodiversiteit als volwaardig ontwerpthema
Waar biodiversiteit eerder vaak werd ingevuld met losse maatregelen, stuurt de regeling in 2026 sterker op aantoonbare biodiversiteitswinst als onderdeel van het ontwerp. Voorzieningen zoals inheemse beplanting, nestgelegenheden en natuurlijke waterpartijen blijven ondersteund, mits deze worden onderbouwd met een ecologisch rapport of advies.
Daarmee verschuift biodiversiteit van een ‘nice to have’ naar een inhoudelijk ontwerpthema dat vanaf de eerste schets moet worden meegenomen.
Circulair bouwen: scherpere inhoudelijke eisen
Voor circulaire gebouwen wordt de lat verder gelegd. De nadruk ligt sterker op losmaakbaarheid, meetbaar gemaakt via de Losmaakbaarheidsindex (Li). Dit onderstreept het belang van demontabel ontwerpen en hoogwaardig hergebruik van materialen.
Daarnaast wordt de MPG-eis voor woningen voortaan berekend op basis van het gebruiksoppervlak, in lijn met de Omgevingsregeling. Certificering volgens DGNB International is vervallen en komt niet langer in aanmerking voor MIA/Vamil.
De MIA-percentages en maximale meldbedragen voor BREEAM- en GPR-gebouwen blijven gelijk aan 2025. Wel is voor gebouwen met een industriefunctie het maximale bruto vloeroppervlak verhoogd van 5.000 m² naar 7.000 m². Dit maakt duurzame industriegebouwen beter haalbaar, met name voor het mkb.
Groene daken en gevels: onderdeel van het geheel
Groene daken en gevels blijven fiscaal ondersteund, maar niet langer als losse maatregel wanneer zij onderdeel zijn van een reeds gemeld duurzaam gebouw. De regeling stuurt daarmee duidelijk op integrale gebouwconcepten in plaats van het achteraf toevoegen van afzonderlijke duurzaamheidsmaatregelen.
Aanscherping van duurzaamheidseisen en onderbouwing
Ook op het gebied van onderbouwing en certificering zijn de eisen aangescherpt. Voor GPR Gebouw mag in 2026 uitsluitend versie 4.5 worden toegepast bij MIA/Vamil-aanvragen. Bovendien moet het GPR-certificaat zijn afgegeven door Stichting W/E adviseurs duurzaam bouwen; certificaten van andere partijen of oudere versies komen niet meer in aanmerking.Daarnaast moeten BENG-berekeningen voor alle gebouwen op de Milieulijst worden opgesteld door een gecertificeerde EP-U/D-adviseur, aantoonbaar met een geldig Bewijs van Vakbekwaamheid.
Wat betekent dit voor de praktijk?
De Milieulijst 2026 laat zien dat duurzaamheid steeds minder draait om losse maatregelen en steeds meer om samenhang, kwaliteit en aantoonbare prestaties. Voor opdrachtgevers en ontwikkelaars betekent dit: eerder keuzes maken, integraler ontwerpen en duurzaamheid structureel verankeren in het project.
